Hoe je systeem verschuift tussen te veel en te weinig

Over waarom over- en onderprikkeling zo moeilijk te onderscheiden zijn...

Overprikkeling en onderprikkeling worden vaak voorgesteld als elkaars tegenpolen, alsof het ene duidelijk staat voor “te veel” en het andere voor “te weinig”, en alsof je vanzelf zou aanvoelen waar je je precies bevindt. In theorie lijkt dat onderscheid helder, maar in de praktijk blijkt het vaak veel moeilijker te maken dan we denken.

Wat het net zo verwarrend maakt, is dat beide toestanden zich aan de buitenkant opvallend gelijkaardig kunnen tonen, waardoor het niet altijd evident is om te begrijpen wat er onderliggend speelt.

Wanneer hetzelfde gedrag iets anders betekent

Ik merk dat bij mezelf, en ik zie het ook vaak bij de mensen die ik begeleid.

Ik kan bijvoorbeeld een achterstand opbouwen op twee totaal verschillende manieren. Er zijn momenten waarop alles te veel wordt, mijn hoofd volloopt en de druk zich opstapelt. Op zulke momenten ga ik vluchttaken doen en lijkt plots alles belangrijker dan wat echt moet, omdat mijn systeem even weg wil van die overbelasting.

Maar er zijn ook momenten waarop ik net te weinig prikkels ervaar en moeilijk op gang kom. Dan stel ik taken ook uit, ga ik ook andere dingen doen, maar nu vanuit verveling of een gebrek aan activatie, waarbij mijn brein als het ware op zoek gaat naar iets dat het weer in beweging krijgt.

Aan de buitenkant ziet dat gedrag er gelijkaardig uit, terwijl de onderliggende behoefte helemaal anders is. En net daar ontstaat vaak de verwarring, omdat we geneigd zijn gedrag te interpreteren zonder te kijken naar wat eronder ligt.

Wat er onder de oppervlakte gebeurt

Wanneer we spreken over overprikkeling, gaat het meestal over een toestand waarin het systeem meer prikkels krijgt dan het op dat moment kan verwerken, waardoor spanning oploopt en het gevoel ontstaat dat het te veel wordt. Onderprikkeling ontstaat wanneer er net te weinig activatie is, waardoor energie zakt en het moeilijk wordt om in beweging te komen.

Beide zijn vormen van ontregeling, maar ze vragen niet dezelfde reactie. En precies omdat ze soms gelijkaardig aanvoelen of zichtbaar worden in gedrag, is het niet altijd eenvoudig om daar op het juiste moment passend op af te stemmen.

Een verkeerde inschatting kan het probleem in stand houden

Wanneer dat onderscheid niet helder is, reageren mensen vaak logisch op wat ze denken dat er speelt, maar net daar kan het soms mislopen.

Als je bijvoorbeeld onderprikkeld bent, maar het aanvoelt als onrust of spanning, kan het verleidelijk zijn om prikkels weg te nemen, rust te zoeken of jezelf terug te trekken. Terwijl je systeem in werkelijkheid nood heeft aan activatie, beweging of een bepaalde vorm van uitdaging.

Op die manier probeer je te reguleren, maar doe je net iets wat het systeem verder uit balans brengt. Wat bedoeld is als oplossing, houdt het onbewust in stand.

Dat kan ontmoedigend zijn, omdat het niet alleen niet werkt, maar ook het gevoel kan versterken dat je het niet goed aanpakt. Terwijl het probleem vaak niet ligt in wat je doet, maar in hoe je inschat wat je nodig hebt.

Een systeem dat voortdurend in beweging is

Je prikkelniveau is geen vast punt dat je één keer bepaalt en vervolgens behoudt, maar iets dat voortdurend verschuift onder invloed van wat je doet, wat je meemaakt en hoeveel ruimte er is voor herstel. Die beweging verloopt meestal geleidelijk, waardoor je niet altijd meteen merkt dat je aan het opschuiven bent.

Soms is er een periode waarin er weinig activatie is, die langzaam overgaat in onrust, waarna je meer prikkels gaat opzoeken en uiteindelijk merkt dat het te veel wordt. Wanneer het dan overloopt, voelt het alsof het plots gebeurt, terwijl er eigenlijk al een hele beweging aan voorafging.

Beginnen met nieuwsgierigheid

Wat in mijn ervaring helpt, is niet meteen proberen corrigeren, maar eerst vertragen en kijken naar wat er gaande is.

Niet vanuit de vraag wat er fout loopt, maar vanuit de vraag wat je systeem probeert te doen. Heb je misschien te veel prikkels gehad, of net te weinig, en wat heeft je energie op dat moment nodig om terug in evenwicht te komen.

Die verschuiving naar nieuwsgierigheid maakt het vaak mogelijk om anders te reageren, zonder dat het een kwestie wordt van jezelf onder controle houden.

Mildheid als vertrekpunt en als plek om naar terug te keren

Wanneer je begint te zien dat je systeem voortdurend in beweging is en dat gedrag vaak een poging is om daarmee om te gaan, verandert er iets in hoe je naar jezelf kijkt. De neiging om streng te zijn of te denken dat je het verkeerd doet, maakt plaats voor meer begrip voor wat er onderliggend gebeurt.

Dat betekent niet dat het altijd lukt om het op tijd te herkennen of bij te sturen. Soms ga je toch over je grens, of blijf je te lang hangen in een fase die niet helpend is.

Maar mildheid helpt om telkens opnieuw terug te keren, niet alleen als vertrekpunt, maar ook als plek waar je weer kan landen wanneer het even niet loopt zoals je had gehoopt.